Uitspraak
17.7309 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de renteschade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 13 februari 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 100%, die later werd omgezet in een loonaanvullingsuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 5 december 2016 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, maar herzag dit besluit en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 43,38%, met uitbetaling tot 1 februari 2019.
Appellante ging in beroep tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. Tijdens de hoger beroepsprocedure stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante vast op 80 tot 100% en kende zij een IVA-uitkering toe vanaf 1 februari 2019.
De Raad beoordeelde vervolgens of appellante voldoende procesbelang had bij het hoger beroep. Gezien de reeds toegekende IVA-uitkering en het feit dat de uitkering tot 1 februari 2019 al werd uitbetaald op basis van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid, kon appellante geen financieel voordeel meer behalen. Haar belang was principieel van aard, wat onvoldoende is voor ontvankelijkheid.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees het verzoek tot vergoeding van renteschade af. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en het verzoek tot vergoeding van renteschade is afgewezen.