Uitspraak
17.6671 ZW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig machine-operator, meldde zich ziek met chronische pijn- en moeheidsklachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling stelde het UWV vast dat appellant geen recht meer had op ziekengeld omdat hij geschikt werd geacht voor andere functies waarmee hij meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Hij meldde zich later opnieuw ziek, waarna het UWV opnieuw vaststelde dat hij geen recht meer had op ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en de beperkingen van appellant voldoende medisch objectief waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV de ernst van zijn klachten door CVS/ME onjuist had ingeschat en overlegde nieuw medisch bewijs. De Raad oordeelde dat het UWV het medisch onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd, dat de beperkingen niet waren onderschat en dat het nieuwe bewijs onvoldoende aanknopingspunten bood om het oordeel te herzien.
De Raad zag geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld blijft beëindigd.