ECLI:NL:CRVB:2019:4118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand wegens niet-tijdige aanvraag voor huur- en zorgtoeslagkosten
In deze zaak gaat het om de afwijzing van een aanvraag voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet voor de kosten van terugbetaling van huurtoeslag 2013 en zorgtoeslag 2014. Het college van burgemeester en wethouders van Smallingerland wees de aanvraag af omdat deze niet tijdig, namelijk binnen drie maanden na de beschikkingen van de Belastingdienst, was ingediend.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij door het maken van bezwaar tegen de beschikkingen uitstel van betaling had gekregen en dat daarom de termijn voor het aanvragen van bijzondere bijstand pas begon te lopen vanaf het invorderingsbesluit van januari 2016. Deze stelling werd niet gevolgd.
De Raad verwijst naar vaste rechtspraak waarin is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voor kosten die zijn opgekomen vóór de datum van de aanvraag, tenzij de aanvraag binnen drie maanden na het opkomen van de kosten wordt gedaan en de noodzaak van de kosten achteraf kan worden vastgesteld. Omdat de beschikkingen van de Belastingdienst de datum zijn waarop de kosten zijn opgekomen en de aanvraag pas veel later werd gedaan, is de aanvraag niet tijdig.
De Raad wijst ook op het onderscheid met een eerdere uitspraak uit 2012 die niet van toepassing is op deze zaak. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand wordt afgewezen wegens niet-tijdige indiening binnen de wettelijke termijn.