ECLI:NL:CRVB:2019:4075
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluiten over arbeidsongeschiktheid en uitkeringsrecht WIA en ZW
Appellante was werkzaam als schoonmaakster en meldde zich in januari 2015 ziek met klachten aan het houdings- en bewegingsapparaat. Het UWV weigerde haar een WIA-uitkering toe te kennen per 23 januari 2017 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Het bezwaar van appellante werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
In juni en september 2017 beëindigde het UWV ook haar Ziektewetuitkering omdat zij geschikt werd geacht voor bepaalde functies, waaronder productiemedewerker industrie. Ook deze besluiten werden door de rechtbank bevestigd. Appellante voerde aan dat de medische beperkingen onderschat waren en dat er discrepanties waren tussen de verzekeringsarts en de bedrijfsarts, maar bracht geen nieuwe medische gegevens die tot een ander oordeel konden leiden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de FML van de verzekeringsarts terecht als uitgangspunt diende. De Raad zag geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige en bevestigde de uitspraken van de rechtbank. De proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op WIA- en ZW-uitkering vanaf respectievelijk januari en september 2017.