ECLI:NL:CRVB:2019:4034
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond geregistreerd op een bepaald uitkeringsadres. Naar aanleiding van een melding dat appellant vermoedelijk niet meer woonachtig was op dat adres, voerde het college een onderzoek uit, waaronder het inwinnen van gegevens over water- en energieverbruik en een huisbezoek.
Het college trok de bijstand in met ingang van 5 december 2016 wegens het niet melden van het niet-woonachtig zijn op het uitkeringsadres. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij vooral het extreem lage waterverbruik en de bevindingen van het huisbezoek zwaar wogen.
In hoger beroep betwistte appellant dat hij niet woonde op het adres en gaf hij verklaringen voor het lage verbruik en de inrichting van de woning. De Raad oordeelde echter dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant niet zijn hoofdverblijf op het adres had, mede omdat het waterverbruik extreem laag was en de woning geen bewoonde indruk maakte.
De Raad verwierp de stellingen van appellant, waaronder dat de watermeter niet werkte en dat hij pas later daadwerkelijk op het adres woonde. De intrekking van de bijstand werd daarmee bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet-woonachtig zijn op het opgegeven adres wordt bevestigd.