Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:4033

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 december 2019
Publicatiedatum
12 december 2019
Zaaknummer
17-7433 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:57 AwbArt. 475d lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit verrekening bijstand wegens onvoldoende informatie vooraf

De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo tot verrekening van bijstandskosten over de periode november 2016. Het college had een bedrag van €139,59 per maand vastgesteld als terugbetalingsbedrag, maar dit was niet aangepast aan de actuele financiële situatie van appellant. Na een eerdere uitspraak (ECLI:NL:CRVB:2019:2165) heeft het college het bedrag gecorrigeerd naar €54,45 en de teveel betaalde €85,14 aan appellant terugbetaald.

De Centrale Raad oordeelt dat het college op grond van artikel 3:2 Awb Pro verplicht was om voorafgaand aan de verrekening duidelijk te maken welke gegevens appellant moest aanleveren om de beslagvrije voet te bepalen. Dit was niet gebeurd, waardoor het besluit onrechtmatig is. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het de verrekening over november 2016 betreft en stelt het correcte bedrag vast op €54,45.

Daarnaast veroordeelt de Raad het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant voor bezwaar, beroep en hoger beroep, in totaal €2.560,-, en tot vergoeding van het griffierecht van €170,-. De uitspraak vervangt het eerdere besluit en bevestigt het recht van appellant op een correcte verrekening en vergoeding van gemaakte kosten.

Uitkomst: Het besluit van 30 mei 2017 wordt vernietigd voor zover het de verrekening over november 2016 betreft en het bedrag wordt vastgesteld op €54,45 met veroordeling van het college in proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

17.7433 PW

Datum uitspraak: 10 december 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van
13 november 2017, 17/1730 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Geldrop-Mierlo (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft P.C.J. Schut hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2019. Namens appellant is
P.C.J. Schut verschenen. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
Het onderzoek in de zaak is heropend om het college in de gelegenheid te stellen kennis te nemen van een uitspraak van 2 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2165, en de Raad te laten weten of deze uitspraak aanleiding geeft voor een nadere reactie in deze zaak. P.C.J. Schut en het college hebben hierop gereageerd.
Appellant heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord en het college heeft niet binnen de gestelde termijn verklaard van dat recht gebruik te willen maken. Gelet daarop heeft de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Bij besluit van 15 november 2016 heeft het college de aan appellant verleende bijstand over de periode van 14 november 2011 tot en met 1 juli 2012 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van € 8.475,56 van appellant teruggevorderd. Het maandelijks door appellant ter aflossing terug te betalen bedrag heeft het college daarbij bepaald op
€ 139,59 (= 10% van de toepasselijke bijstandsnorm). Dit bedrag wordt meteen (dat wil zeggen met ingang van de eerstvolgende betaling) op de bijstand ingehouden.
1.2.
Appellant heeft in januari 2017 zijn actuele financiële gegevens overgelegd. Vanaf januari 2017 had appellant geen recht meer op bijstand.
1.3.
Bij besluit van 30 mei 2017 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 15 november 2016 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het over de maand december 2016 af te lossen bedrag van € 139,59 verlaagd tot € 54,45. Het bedrag van € 85,14, het verschil tussen € 139,59 en € 54,45, wordt verrekend met de openstaande vordering.
1.4.
Op 21 juni 2017 heeft het college het bestreden besluit gecorrigeerd door te bepalen dat het onder 1.3 genoemde bedrag van € 85,14 alsnog aan appellant zal worden uitbetaald. Voorts heeft het college daarbij besloten appellant een proceskostenvergoeding van € 495,- toe te kennen, omdat hij al beroep had ingesteld tegen het bestreden besluit.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 21 juni 2017 niet-ontvankelijk.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover het betreft de ongegrondverklaring van zijn beroep. De hoger beroepsgronden zijn gericht tegen het in stand laten van de verrekening over de maand november 2016.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In reactie op de hiervoor onder het procesverloop genoemde en aan het college toegezonden uitspraak van 2 juli 2019 is het college alsnog bij brief van 25 juli 2019 inhoudelijk geheel aan het hoger beroep van appellant tegemoetgekomen. Het over november 2016 te verrekenen bedrag wordt gecorrigeerd naar € 54,45 en het college zal de teveel betaalde € 85,14 aan appellant restitueren.
4.2.
Appellant heeft verzocht een kostenvergoeding uit te spreken in verband met het bezwaar (twee punten), het beroep (één punt) en het hoger beroep (twee punten) en te bepalen dat het griffierecht in beroep en hoger beroep wordt vergoed.
4.3.
Het college heeft aangevoerd dat het gewijzigde standpunt het gevolg is van voortschrijdend inzicht naar aanleiding van genoemde uitspraak van 2 juli 2019 en dat het college daarom niet bereid is om een proceskostenvergoeding te voldoen.
4.4.1.
Vastgesteld wordt dat appellant nog een belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep, namelijk in verband met de vergoeding van de kosten in bezwaar.
4.4.2.
Uitgangspunt is dat het college het bestreden besluit tot verrekening van € 139,59 over de maand november 2016 niet langer handhaaft, omdat het college het invorderingsbedrag heeft vastgesteld zonder rekening te houden met de destijds actuele financiële gegevens van appellant en aldus het invorderingsbedrag te hoog heeft vastgesteld. In geschil is of het college gegeven dit uitgangspunt kan volhouden dat voorafgaande aan de uitspraak van 2 juli 2019 de besluiten wel rechtmatig waren en dat dus geen proceskosten verschuldigd zijn.
4.4.3.
Het standpunt van het college dat sprake is van voortschrijdend inzicht wordt, nog los van de beantwoording van de vraag welke betekenis daaraan zou toekomen, niet gevolgd. Uit de uitspraak van 2 juli 2019 volgt dat op grond van het bepaalde in artikel 3:2 van Pro de Awb het college gehouden is om aan betrokkene voor aanvang van de verrekening duidelijk te maken welke gegevens hij moet verstrekken om te kunnen bepalen of en, zo ja in hoeverre, de beslagvrije voet moet worden verhoogd op grond van artikel 475d, vijfde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Daartoe was het college ook al gehouden ten tijde van de hier aan de orde zijnde besluiten, ook dat volgt uit de uitspraak van 2 juli 2019. Dit betekent dat appellant in aanmerking komt voor vergoeding van de door hem verzochte kosten.
4.4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover het betreft de verrekening over de maand november 2016. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren, het besluit van 30 mei 2017 (bestreden besluit) vernietigen voor zover het betreft de hoogte van de verrekening over de maand november 2016, die verrekening vaststellen op € 54,45 en bepalen dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats komt van het bestreden besluit.
5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college appellant al een vergoeding op basis van één punt heeft toegekend voor de kosten in beroep. De kosten van appellant worden dan ook begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 512,- in beroep en € 1.024,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.560,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 30 mei 2017 voor zover het betreft de hoogte van de verrekening over de maand november 2016, stelt het bedrag van de verrekening over de maand november 2016 vast op € 54,45 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het besluit van 30 mei 2017;
  • veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.560,-;
  • bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 170,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2019.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) A.A.H. Ibrahim