ECLI:NL:CRVB:2019:4023
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant was werkzaam in twee deeltijdfuncties en meldde zich ziek met cardiale en psychische klachten. Het UWV beëindigde zijn Ziektewet-uitkering omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Appellant vroeg vervolgens een WIA-uitkering aan, die werd afgewezen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbanken verklaarden het beroep van appellant ongegrond, waarbij zij het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van het UWV als zorgvuldig en voldoende gemotiveerd beschouwden. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische beperkingen waren toegenomen en dat de artsen van het UWV zijn situatie onderschatten, en dat het beginsel van equality of arms was geschonden doordat geen onafhankelijke deskundige was benoemd.
De Raad oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen en dat er geen sprake was van schending van equality of arms. De Raad onderschreef de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de motivering van de artsen van het UWV. Ook vond de Raad geen aanleiding om een deskundige te benoemen of een urenbeperking toe te kennen. De aangevallen uitspraken werden bevestigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en wijst het verzoek om schadevergoeding af.