ECLI:NL:CRVB:2019:4020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toegenomen arbeidsongeschiktheid en Wajong-uitkering na intrekking
Appellante had sinds 21 december 2005 een Wajong-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een strafrechtelijk onderzoek in 2011 trok het UWV de uitkering per 1 januari 2008 in, gebaseerd op een rapport van psychiater Kondakci dat geen beperkingen vaststelde. Appellante vroeg in 2013 opnieuw een Wajong-uitkering aan, maar deze werd afgewezen wegens gebrek aan nieuwe feiten en geen toegenomen arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat het UWV-onderzoek zorgvuldig was en het rapport van psychiater Mutsaers onvoldoende onderbouwing bood voor toename van arbeidsongeschiktheid. In hoger beroep stelde appellante dat haar psychische klachten waren verergerd door persoonlijke omstandigheden en het strafrechtelijk onderzoek, maar zij leverde geen medische gegevens ter onderbouwing.
De Centrale Raad oordeelde dat het UWV de aanspraken ten onrechte beoordeelde op basis van de Wajong 2010, maar dit gebrek passeerde omdat appellante niet benadeeld was. De Raad bevestigde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na 1 januari 2008. De gestelde klachten en chronische darmverstopping waren niet onderbouwd of vielen buiten de relevante periode.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak, veroordeelde het UWV in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd; het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.