ECLI:NL:CRVB:2019:396
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- R.B. Kleiss
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing heropening WAO-uitkering met terugwerkende kracht
Appellant ontving sinds 24 november 2004 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2011 werd de uitkering ingetrokken omdat appellant langer dan een maand gedetineerd was. Na detentie verzocht de bewindvoerder in 2015 om heropening van de uitkering met ingang van 22 oktober 2014, een jaar voor de aanvraagdatum. Het UWV ging hiermee akkoord, maar weigerde heropening met terugwerkende kracht tot de intrekkingsdatum in 2011.
Appellant stelde dat de bewindvoerder niet nalatig was omdat het bewind tijdens detentie feitelijk bevroren was en dat de uitkering vanaf 1 oktober 2013, de datum van onherroepelijkheid van de maatregel van ter beschikkingstelling met dwangverpleging, had moeten worden heropend. Tevens werd een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel, verwijzend naar eerdere gevallen waarin uitkeringen met volledige terugwerkende kracht werden toegekend.
De Raad oordeelde dat het verzuim van de bewindvoerder voor rekening en risico van appellant komt, mede omdat het intrekkingsbesluit duidelijk vermeldde welke detentievormen gevolgen hadden voor de uitkering. Het lag op de weg van de bewindvoerder om regelmatig contact te onderhouden en tijdig heropening aan te vragen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens gebrek aan verifieerbare gegevens. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Gelderland.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot heropening van de WAO-uitkering met ingang van 22 oktober 2014 wordt bevestigd.