ECLI:NL:CRVB:2019:3959
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor fysiotherapiekosten wegens voorliggende voorziening
In deze zaak heeft appellant beroep ingesteld tegen de afwijzing van twee aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van fysiotherapie door het college van burgemeester en wethouders van Langedijk.
Het college wees de aanvragen af omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de daarop gebaseerde regeling als voorliggende voorziening gelden, zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Participatiewet (PW). Dit betekent dat kosten die binnen de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt, niet via bijzondere bijstand vergoed kunnen worden.
In dit geval is bewust gekozen om de eerste twintig fysiotherapiebehandelingen niet te vergoeden binnen het basispakket van de Zvw. Hoewel appellant stelde dat de kosten noodzakelijk waren op basis van een verwijzingsbrief van een specialist, is dit volgens de Raad niet relevant vanwege de bewuste uitsluiting binnen de Zvw.
Appellant voerde tevens aan zich niet aanvullend te hebben kunnen verzekeren, maar dit verandert niets aan het feit dat de Zvw een voorliggende voorziening is. Ook heeft appellant geen zeer dringende redenen gesteld zoals vereist in artikel 16 PW Pro om toch bijzondere bijstand te verkrijgen.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor fysiotherapiekosten wordt bevestigd.