Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3880

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 november 2019
Publicatiedatum
4 december 2019
Zaaknummer
17/3516 TW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4a TWArt. 3 TWArtikel 8:57 AwbVerordening (EG) nr. 883/2004Verordening (EG) nr. 987/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling woonplaats en recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet

Betrokkene, een Poolse staatsburger die sinds 2008 seizoenswerk in Nederland verricht, vroeg een toeslag aan op grond van de Toeslagenwet. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wees de aanvraag aanvankelijk af omdat betrokkene niet in Nederland stond ingeschreven. Na inschrijving in de basisregistratie personen (brp) kende het Uwv de toeslag toe, maar beëindigde deze later omdat betrokkene volgens hen geen woonplaats in Nederland had.

De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat betrokkene wel in Nederland woonde, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad stelt vast dat betrokkene zijn normale woonplaats in Polen heeft behouden, waar zijn gezin woont en waar hij een koopwoning bezit. Zijn inschrijving in de Nederlandse brp en werkzaamheden in Nederland zijn onvoldoende om te concluderen dat het centrum van zijn belangen in Nederland ligt.

De Raad baseert zich op Europese regelgeving en jurisprudentie om het begrip woonplaats te bepalen, waarbij onder meer de duur van verblijf, gezinssituatie en intentie van betrokkene worden meegewogen. Gezien de feiten is het Uwv terecht gekomen tot de conclusie dat betrokkene geen aanspraak heeft op de toeslag. Het hoger beroep van het Uwv wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de bestreden besluiten worden gehandhaafd.

Uitspraak

17.3516 TW

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 april 2017, 17/127 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 28 november 2019
PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. L.A.M. van Vlerken, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben te kennen gegeven geen niet gebruik te willen maken van het recht om ter zitting te worden gehoord. De Raad heeft het onderzoek gesloten met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

OVERWEGINGEN

1.1.
Betrokkene is geboren [in] 1967 en heeft de Poolse nationaliteit. Vanaf 2008 heeft betrokkene werkzaamheden verricht in Nederland.
1.2.
Bij aanvraagformulier van 6 juli 2016 heeft betrokkene het Uwv verzocht om hem, naast een uitkering op grond van de Werkloosheidswet, vanaf 2 november 2015 een toeslag toe te kennen op grond van de Toeslagenwet (TW). Daarbij heeft betrokkene vermeld dat hij gehuwd is, een zoon heeft, en dat zijn echtgenote en zoon in Polen wonen. Verder heeft betrokkene te kennen gegeven dat zijn echtgenote geen eigen inkomsten heeft.
1.3.
Op de onder 1.2 vermelde TW-aanvraag heeft het Uwv bij besluit van 21 juli 2016 (primair besluit I) afwijzend beslist. Daartoe is overwogen dat betrokkene niet staat ingeschreven op een adres in Nederland.
1.4.
Per 1 september 2016 is betrokkene in de basisregistratie personen (brp) alsnog ingeschreven op een adres in Nederland. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 19 september 2016 (primair besluit II) alsnog een TW-toeslag aan betrokkene toegekend met ingang van 1 september 2016.
1.5.
Bij besluit van 1 december 2016 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen primair besluit I ongegrond geacht op de grond dat betrokkene wel een verblijfplaats heeft in Nederland maar geen woonplaats. Daartoe is overwogen dat de concrete feiten en omstandigheden – zoals deze blijken uit in de bezwaarfase verricht nader feitenonderzoek – bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of betrokkene in Nederland woont.
1.6.
Bij brief van 6 december 2016 heeft het Uwv met een verwijzing naar bestreden besluit I aan betrokkene te kennen gegeven van plan te zijn het bezwaar van betrokkene tegen primair besluit II eveneens ongegrond te achten en dit besluit te herzien, in die zin dat de toegekende TW‑toeslag wordt beëindigd met inachtneming van een uitlooptermijn van een maand en een dag na het versturen van het besluit op het bezwaar tegen primair besluit II.
1.7.
Bij besluit van 6 januari 2017 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen primair besluit II ongegrond geacht en dit besluit herzien, in die zin dat de TW‑toeslag is beëindigd met ingang van 7 februari 2017.
2. Betrokkene heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld. Dit beroep heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak (ECLI:NL:RBOBR:2017:1886) gegrond verklaard. Daarbij zijn de bestreden besluiten I en II vernietigd en is het Uwv opgedragen om nieuwe besluiten te nemen. Verder is ten laste van het Uwv een proceskostenveroordeling uitgesproken en is het Uwv opgedragen om het door betrokkene betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank heeft aan de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegd dat aannemelijk is dat betrokkene ten tijde van belang in Nederland woonde.
3.1.
In hoger beroep heeft het Uwv de Raad gevraagd om de aangevallen uitspraak te vernietigen en het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond te verklaren, omdat het gewone centrum van de belangen van betrokkene zich ten tijde van belang niet in Nederland bevond. Het Uwv heeft in dit verband verwezen naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). Betrokkene heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
3.2.
In reactie op vragen van de Raad heeft het Uwv in hoger beroep nadere gegevens verstrekt over het arbeidsverleden van betrokkene. Verder heeft het Uwv aanvullend het standpunt ingenomen dat betrokkene niet alleen ingevolge artikel 4a van de TW maar ook ingevolge artikel 3 van Pro de TW geen recht heeft op de door hem in 2016 aangevraagde toeslag, omdat de echtgenote van betrokkene is geboren na 31 december 1971 en zijn zoon ten tijde van belang ouder was dan 12 jaar. Betrokkene heeft aanvullend het standpunt ingenomen dat hij tenminste in aanmerking komt voor een TW-toeslag naar de norm voor een alleenstaande.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Tussen partijen is in geschil of bij de aangevallen uitspraak terecht of ten onrechte is geoordeeld dat aannemelijk is dat betrokkene ten tijde van belang in Nederland woonde.
4.2.
Betrokkene heeft de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie en is aan te merken als migrerend werknemer. Dit betekent dat in dit geding aan de hand van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) moet worden vastgesteld waar betrokkene ten tijde van belang woonde. De Raad herinnert aan zijn uitspraken van 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3319, en van 30 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:291.
4.3.
Ingevolge artikel 1, sub j, van Vo 883/2004 wordt onder “woonplaats” verstaan de plaats waar een persoon pleegt te wonen. Dit begrip heeft een autonome, voor het Unierecht specifieke betekenis. Het Hof heeft met betrekking tot Verordening (EEG) nr. 1408/71 geoordeeld dat, wanneer de rechtspositie van een persoon onder de wetgeving van meerdere lidstaten kan vallen, het begrip “lidstaat waar een persoon woont”, ziet op de lidstaat waar de betrokkene zijn normale woonplaats heeft en waar zich ook het gewone centrum van zijn belangen bevindt (zie bijvoorbeeld de arresten Di Paolo van 17 februari 1977, C‑76/76, Swaddling van 25 februari 1999, C‑90/97, Wencel van 16 mei 2013, C‑589/10, I tegen Health Service Executive van 5 juni 2014, C‑255/13 en B. van 11 september 2014, C‑394/13). In artikel 11 van Pro Verordening (EG) nr. 987/2009 zijn de door de rechtspraak van het Hof ontwikkelde criteria op basis waarvan dit centrum van belangen kan worden bepaald, gecodificeerd. Als criteria worden onder meer genoemd de duur en de continuïteit van de aanwezigheid op het grondgebied van de betrokken lidstaten, de gezinssituatie en familiebanden, de huisvestingssituatie, alsmede de intentie van de betrokkene zoals die uit alle omstandigheden blijkt.
4.4.
Uit de in de bezwaarfase namens betrokkene aan het Uwv verstrekte informatie blijkt dat betrokkene sinds 2008 op uitzendbasis seizoenswerk heeft verricht in Nederland om meer te kunnen verdienen, dat betrokkene geen zelfstandige woonruimte heeft in Nederland maar nog wel beschikt over een koopwoning in Polen, dat de echtgenote en de zoon van betrokkene daar steeds zijn blijven wonen, dat betrokkene als hij in Nederland is dagelijks contact heeft met zijn echtgenote en/of zoon in Polen en dat hij regelmatig in Polen bij hen verblijft, onder andere zeer langdurig na een arbeidsongeval in 2013. Uit deze omstandigheden kan niet worden afgeleid dat betrokkene de intentie heeft gehad om zijn normale woonplaats in Polen te verruilen voor een normale woonplaats in Nederland. Het enkele feit dat betrokkene zich per 1 september 2016 in de brp heeft laten inschrijven op een verblijfsadres in Nederland doet daar niet wezenlijk aan af. Wat betrokkene in beroep en hoger beroep heeft aangevoerd om te onderbouwen dat hij wel in Nederland woont en niet in Polen, is van algemene aard en levert geen concrete aanknopingspunten op voor het oordeel dat het centrum van zijn belangen op enig moment in Nederland is komen te liggen. Daarom is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat betrokkene ingevolge artikel 4a van de TW geen aanspraak heeft op een TW‑toeslag. De bestreden besluiten I en II zijn gebaseerd op toereikend feitenonderzoek en zijn zorgvuldig en voldoende gemotiveerd genomen.
4.5.
Gelet op 4.4 zal de Raad een beoordeling aan de hand van artikel 3 van Pro de TW achterwege laten.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal het beroep tegen de bestreden besluiten I en II alsnog ongegrond verklaren.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2019.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) P. Boer

NW