ECLI:NL:CRVB:2019:3877
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag zorg op grond van de Wet langdurige zorg wegens ontbreken verstandelijke handicap
Appellant heeft een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), welke bij besluit van 17 maart 2016 en het daaropvolgende besluit van 8 augustus 2016 is afgewezen. De rechtbank Rotterdam heeft dit besluit op 30 april 2018 bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak bekrachtigd. De Raad overwoog dat artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz geen recht geeft op Wlz-zorg indien de noodzaak van permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid voortvloeit uit een psychiatrische grondslag. Ook bij combinatie met andere grondslagen zoals een somatische aandoening of een verstandelijke handicap moet worden beoordeeld of alleen deze andere grondslagen leiden tot de noodzaak van zorg.
De Raad stelde vast dat er geen gericht onderzoek is waaruit een verstandelijke handicap blijkt. De door appellant overgelegde brief van de huisarts volstaat niet. De somatische beperkingen zijn door de medisch adviseur van het CIZ beoordeeld en leiden niet tot de noodzakelijke zorg. Appellant kon deze conclusie niet overtuigend betwisten. Verder werd het beroep op overgangsrecht en artikel 3.2.2 Wlz verworpen omdat niet aan de voorwaarden werd voldaan. Het hoger beroep werd daarom afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de aanvraag voor Wlz-zorg wordt bevestigd.