ECLI:NL:CRVB:2019:385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na niet verschijnen op gesprek ondanks oproep
Appellant werd opgeroepen voor een gesprek bij de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam op 28 juni 2016, met het verzoek recente bankafschriften mee te nemen. Hij verscheen niet, waarna het college het recht op bijstand opschortte en later introk met ingang van 24 juni 2016. Appellant maakte geen bezwaar tegen het opschortingsbesluit en verscheen ook niet op het vervolgafspraak.
Appellant stelde dat hij de oproep niet had ontvangen vanwege problemen met de postbezorging, omdat hij zijn brievenbus deelt met anderen en dit meerdere malen bij de gemeente had gemeld. De Raad oordeelde dat het risico van niet-ontvangen post voor rekening van appellant komt, zeker omdat hij nalatig was in het treffen van maatregelen om dit te voorkomen.
Daarnaast voerde appellant aan dat het college een huisbezoek had moeten afleggen in plaats van hem op te roepen. De Raad verwierp dit omdat het college op grond van artikel 53a, eerste lid, van de Participatiewet bevoegd is de wijze en het tijdstip van gegevensverstrekking te bepalen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens niet verschijnen ondanks oproep.