ECLI:NL:CRVB:2019:3811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Motiveringsgebrek in besluit UWV over belastbaarheid na hersenvliesgezwel en PTSS
Appellante, voormalig schoonmaakster en productiemedewerkster, meldde zich ziek na een ongeluk waarbij een keukenkastje op haar viel, met onder meer een hersenschudding en later PTSS en andere psychische klachten. Het UWV stelde haar belastbaarheid vast en beëindigde haar ziekengelduitkering op grond van de Ziektewet, omdat zij volgens een arbeidsdeskundige meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en overhandigde medische rapporten, waaronder een hersenvliesgezwel (sfenoidrand meningeoom) vastgesteld via MRI. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat dit gezwel geen aanleiding gaf tot wijziging van de functionele mogelijkhedenlijst (FML) en dat de klachten niet significant waren veranderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep stelde appellante dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door onvoldoende informatie in te winnen bij haar neuroloog en neurochirurg en dat de psychische problematiek onvoldoende was meegewogen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het aanvullende rapport van de verzekeringsarts overtuigt niet, omdat de motivering niet navolgbaar is en onvoldoende rekening houdt met het hersenvliesgezwel en de psychische problematiek. De Raad draagt het UWV op het motiveringsgebrek te herstellen door nadere medische informatie in te winnen en het besluit opnieuw te nemen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV vertoont een motiveringsgebrek en wordt terugverwezen voor herstel met aanvullend medisch onderzoek.