ECLI:NL:CRVB:2019:3767
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van geen recht op ziekengeld wegens voldoende arbeidsvermogen
Appellante, voormalig callcentermedewerker, meldde zich ziek met psychische klachten en ontving aanvankelijk ziekengeld. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling stelde het UWV vast dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij geschikt was voor andere functies waarmee zij meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen. Diverse medische beoordelingen bevestigden deze geschiktheid.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat haar beperkingen groter waren dan aangenomen, maar de rechtbank verwierp deze stellingen op grond van voldoende gemotiveerde medische rapporten. Ook in hoger beroep stelde zij dat haar klachten onvoldoende waren meegewogen, maar de Raad onderschreef de eerdere overwegingen en oordeelde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld had beëindigd.
De Raad benadrukte dat het recht op ziekengeld afhankelijk is van objectief vastgestelde ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, met uitzondering van blijvende ongeschiktheid na 52 weken, waarbij gangbare arbeid als maatstaf geldt. De Raad zag geen aanleiding de eerdere uitspraken te vernietigen en bevestigde deze zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op ziekengeld omdat zij geschikt is voor andere functies.