Uitspraak
18.2113 PW
8 maart 2018, 17/2465 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar echtgenoot A ontvingen bijstand, die later werd ingetrokken vanwege het niet melden van betrokkenheid bij grootschalige hennepteelt en het ontbreken van duidelijkheid over het wederrechtelijk verkregen voordeel van €146.719,28. Na intrekking vroegen zij opnieuw bijstand aan, die werd afgewezen op grond van het aanwezige vermogen, gebaseerd op het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel minus schulden.
Appellante stelde dat zij geen aanspraak had op het vermogen en dat het slechts een theoretische aanspraak betrof. Het bestuur handhaafde dat appellante redelijkerwijs over de helft van het voordeel kon beschikken. Subsidiair werd een herberekening gemaakt waarbij het vermogen onder de vrij te laten grens viel, maar het recht op bijstand nog steeds niet kon worden vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het bestuur niet deugdelijk had gemotiveerd dat appellante daadwerkelijk over vermogen boven de vermogensgrens beschikte, maar dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld vanwege het ontbreken van openheid over de financiële situatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
Appellante had geen inzicht gegeven in de financiële voordelen uit de hennepteelt en de besteding daarvan, ondanks haar verplichting daartoe. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de aanvraag en veroordeelde het bestuur tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld door het ontbreken van inzicht in het vermogen.