Uitspraak
(bestreden besluit), ongegrond verklaard.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was van 1986 tot 2011 werkzaam bij een werkgever en ontving vanaf 1991 een AWW- en later een ANW-uitkering. Gedurende de periode van 1986 tot 1999 was zij vrijgesteld van verplichte verzekering en premies volksverzekeringen, wat door eerdere uitspraken werd bevestigd.
Appellante verzocht om toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering voor de periode 1986-1998, maar de Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit af omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden, met name het feit dat zij geen premies volksverzekeringen feitelijk had betaald. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling dat zij premies had betaald en dat haar tijdens een eerdere zitting een toezegging was gedaan over vrijwillige verzekering. De Raad stelde vast dat er geen bewijs was van betaalde premies; ingehouden premies waren volgens de Belastingdienst terugbetaald of verrekend.
De Raad verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering tot toelating tot de vrijwillige verzekering bevestigd.