ECLI:NL:CRVB:2019:3562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante was laatstelijk werkzaam als ziekenverzorgende en ontving een WGA-uitkering vanwege psychische klachten en knieklachten. Na een herbeoordeling door het UWV is vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt, waardoor haar WGA-loonaanvullingsuitkering is beëindigd.
Appellante voerde bezwaar aan tegen deze beslissing en stelde dat haar beperkingen werden onderschat, mede vanwege ernstige recidiverende depressieve klachten waarvoor zij sinds mei 2016 in behandeling was. Zij verzocht ook om inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde echter dat met de psychische klachten voldoende rekening was gehouden in de functionele mogelijkhedenlijst van december 2015 en dat er geen aanleiding was voor een aanvullend medisch onderzoek. De Raad volgde dit oordeel en oordeelde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid zorgvuldig en juist had vastgesteld.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen de beëindiging van de uitkering rechtvaardigen. Er was geen grond voor het inschakelen van een onafhankelijk deskundige en geen reden om het beginsel van equality of arms te schenden.
De uitspraak werd gedaan door S. Wijna namens de Centrale Raad van Beroep op 13 november 2019.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dat haar WGA-loonaanvullingsuitkering terecht is beëindigd.