ECLI:NL:CRVB:2019:3557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering na medische beoordeling
Appellante was werkzaam als medewerker thuiszorg en meldde zich in juni 2014 ziek. Het UWV stelde bij een eerstejaars Ziektewetbeoordeling vast dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen en beëindigde daarom de Ziektewetuitkering per 23 juli 2015. Na een nieuwe ziekmelding in september 2015 volgde een medisch onderzoek waarbij werd geconcludeerd dat appellante geschikt was voor bepaalde voorbeeldfuncties.
Het UWV weigerde vervolgens de Ziektewetuitkering opnieuw toe te kennen, wat door appellante werd aangevochten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische situatie niet wezenlijk was veranderd en dat appellante geschikt was voor de rugsparende functies. In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de functies niet rugsparend zouden zijn.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV voldoende gemotiveerd heeft dat de voorbeeldfuncties medisch geschikt zijn. Er is geen reden om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de rechtbank. Arbeidskundige bezwaren kunnen niet meer worden aangevoerd omdat het eerdere besluit rechtsgeldig is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd.