Uitspraak
17.981 WAO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, aanvankelijk werkzaam als metselaar en later als chauffeur en schademedewerker, meldde zich toegenomen arbeidsongeschikt wegens psychische klachten. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast in persoonlijk en sociaal functioneren en rugbelasting, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 januari 2016. Het UWV handhaafde daarop de WAO-uitkering met een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn belastbaarheid niet juist was vastgesteld, onderbouwd met diverse medische en arbeidsdeskundige rapporten. De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen bezwaar en beroep een zorgvuldig onderzoek hadden uitgevoerd en dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld. De stelling dat appellant een permissieve werkomgeving en intensieve begeleiding nodig heeft, werd niet ondersteund door de overige medische gegevens.
De Raad verwierp de door appellant ingebrachte psychiatrische expertise wegens onvoldoende relevantie en actualiteit. Tevens werd het rapport dat 100% arbeidsongeschiktheid concludeerde niet gevolgd omdat dit niet op de datum in geding zag. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank dat appellant met inachtneming van zijn beperkingen de voorgestelde functies kan vervullen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot ongewijzigde voortzetting van de WAO-uitkering op basis van 25-35% arbeidsongeschiktheid.