Appellante heeft recht op een Wajong-uitkering sinds 2004 en meldde in 2012 een toename van arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 45-55%, wat leidde tot een aanpassing van de uitkering. Appellante maakte bezwaar en beroep, waarna de rechtbank het besluit vernietigde vanwege onvoldoende onderbouwing, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep betwistte appellante de vaststelling van haar belastbaarheid, onderbouwd met medisch onderzoek waaronder ergospirometrie. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die de medische situatie en beperkingen bevestigde en zich kon verenigen met de vastgestelde belastbaarheid. De Raad volgde het deskundigenrapport en oordeelde dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld.
Daarnaast werd een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn behandeld. Gelet op de duur van ruim zes jaar tussen bezwaar en uitspraak, werd vastgesteld dat de redelijke termijn met meer dan twee jaar was overschreden. De Staat werd veroordeeld tot een vergoeding van € 2.500,- aan appellante. Tevens werden proceskosten en griffierecht aan appellante toegekend.