Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet. Naar aanleiding van een anonieme melding startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit het onderzoek bleek dat appellanten in een periode van 19 maanden 110.000 kilometer met hun auto hebben gereden, terwijl zij onvoldoende konden verklaren hoe zij de brandstofkosten en kosten van diverse vliegreizen hebben bekostigd.
Appellanten stelden dat een groot deel van de kilometers door derden was gereden en bekostigd, maar deze verklaringen werden niet ondersteund door objectief bewijs. Ook de subsidiaire stelling dat de kosten uit het gezinsinkomen werden betaald, werd verworpen vanwege de hoge maandelijkse lasten die het beschikbare inkomen overstegen.
Daarnaast konden appellanten de financiering van vijf buitenlandse reizen niet aannemelijk maken. Het college stelde daarom terecht dat appellanten hun inlichtingenverplichting hadden geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het besluit tot intrekking van de bijstand en de terugvordering van de kosten.