ECLI:NL:CRVB:2019:3452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Kasstorting van spaargeld geldt als inkomen voor bijstandsherziening
In deze zaak gaat het om de herziening van bijstand over januari 2017 naar aanleiding van een kasstorting van €370 op 30 januari 2017. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het college ten onrechte deze kasstorting als inkomen had aangemerkt en verklaarde het beroep van betrokkene gegrond. De rechtbank achtte de verklaring van betrokkene, dat het bedrag was gespaard uit wisselgeld sinds medio december 2014, niet op voorhand ongeloofwaardig.
Het college ging in hoger beroep en stelde dat betrokkene vrij over het bedrag kon beschikken en het gebruikte voor levensonderhoud, waardoor het als inkomen moet worden aangemerkt volgens artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet. Betrokkene had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het geen inkomen was, omdat zijn verklaring over het sparen van wisselgeld niet onderbouwd was.
De Centrale Raad van Beroep volgt het standpunt van het college en verwijst naar eerdere jurisprudentie dat een kasstorting in beginsel inkomen is. Omdat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat het om spaargeld gaat, wordt het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de herziening van de bijstand blijft in stand.