Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:3452

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 oktober 2019
Publicatiedatum
5 november 2019
Zaaknummer
18/1505 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kasstorting van spaargeld geldt als inkomen voor bijstandsherziening

In deze zaak gaat het om de herziening van bijstand over januari 2017 naar aanleiding van een kasstorting van €370 op 30 januari 2017. De rechtbank Rotterdam oordeelde dat het college ten onrechte deze kasstorting als inkomen had aangemerkt en verklaarde het beroep van betrokkene gegrond. De rechtbank achtte de verklaring van betrokkene, dat het bedrag was gespaard uit wisselgeld sinds medio december 2014, niet op voorhand ongeloofwaardig.

Het college ging in hoger beroep en stelde dat betrokkene vrij over het bedrag kon beschikken en het gebruikte voor levensonderhoud, waardoor het als inkomen moet worden aangemerkt volgens artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet. Betrokkene had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het geen inkomen was, omdat zijn verklaring over het sparen van wisselgeld niet onderbouwd was.

De Centrale Raad van Beroep volgt het standpunt van het college en verwijst naar eerdere jurisprudentie dat een kasstorting in beginsel inkomen is. Omdat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat het om spaargeld gaat, wordt het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de herziening van de bijstand blijft in stand.

Uitspraak

18.1505 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 29 oktober 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 februari 2018, 17/4556 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Zitting heeft: W.F. Claessens, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: R.I.S. van Haaren
Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J.M. Codrington. Namens betrokkene is verschenen mr. N. Oumhamed.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Het gaat in deze zaak om een herziening van de bijstand over januari 2017 in verband met een kasstorting van € 370,- op 30 januari 2017 (kasstorting). De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het college de kasstorting ten onrechte heeft aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Participatiewet (PW). Om die reden heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 17 juli 2017 vernietigd en het college opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat zij de verklaring van betrokkene over de herkomst van de kasstorting niet op voorhand ongeloofwaardig acht. Deze verklaring houdt in dat betrokkene € 370,- bij elkaar had gespaard van het wisselgeld dat hij bij het betalen van boodschappen ontving en dat hij met deze manier van sparen al bezig was sinds medio december 2014, toen hij nog in het asielzoekerscentrum woonde. De rechtbank heeft er hierbij ook nog op gewezen dat het gaat om een eenmalige storting van spaargeld op de eigen bankrekening van betrokkene.
In hoger beroep heeft het college het volgende aangevoerd. Betrokkene heeft vrijelijk kunnen beschikken over het bedrag van € 370,- en heeft dit bedrag aangewend voor de voorziening in zijn levensonderhoud. Dit betekent dat de kasstorting moet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW. Met zijn verklaring over het sparen van wisselgeld heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat de kasstorting toch geen inkomen is in deze zin.
Deze beroepsgrond slaagt. Uit de in het hoger beroepschrift genoemde uitspraak van 7 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1055, volgt dat een kasstorting als hier aan de orde in beginsel moet worden aangemerkt als inkomen in de zin van artikel 32, eerste lid, van de PW. Het ligt dan vervolgens op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat het gestorte geld toch geen inkomen is in deze zin. Betrokkene is daarin niet geslaagd. De enkele, op geen enkele wijze onderbouwde verklaring dat hij van medio december 2014 tot eind januari 2017 een bedrag van € 370,- aan wisselgeld bij elkaar heeft gespaard en dit bedrag vervolgens op 30 januari 2017 op zijn rekening heeft gestort, is daartoe ontoereikend.
Het hoger beroep slaagt dus. Daarom wordt de aangevallen uitspraak vernietigd en wordt het beroep alsnog ongegrond verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.I.S. van Haaren (getekend) W.F. Claessens