ECLI:NL:CRVB:2019:3313
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag bijstand en hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellante diende op 23 maart 2017 een aanvraag om bijstand in bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, waarbij zij verklaarde te wonen op een opgegeven adres. Na onderzoek door handhavingspecialisten, waaronder een huisbezoek op 3 april 2017, concludeerde het college dat appellante onvoldoende informatie had verstrekt over haar hoofdverblijf en wees de aanvraag af.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, met name tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen.
De Raad oordeelde dat het hoofdverblijf wordt bepaald aan de hand van het zwaartepunt van het persoonlijke leven en dat appellante de bewijsvoering niet voldoende had onderbouwd. Het rapport van de handhavingsspecialisten, op ambtsbelofte opgemaakt, werd als juist en volledig beschouwd. De geringe hoeveelheid aangetroffen kleding en administratie, het ontbreken van bewijs voor aanwezigheid van meer kleding in een afgesloten kast, en het ontbreken van persoonlijke verzorgingsproducten in de badkamer, maakten aannemelijk dat appellante geen hoofdverblijf had op het opgegeven adres.
De Raad verwierp de stellingen van appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het college heeft terecht de aanvraag om bijstand afgewezen wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf.