ECLI:NL:CRVB:2019:3261
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden voor eigen bedrijf
In deze zaak ging het om het hoger beroep tegen de intrekking van bijstand over de periode van 12 januari 2016 tot en met 13 september 2016. De grondslag van de intrekking was dat appellant de wettelijke inlichtingenverplichting had geschonden door niet te melden dat hij op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte voor zijn eigen bedrijf.
Vast stond dat appellant werkzaamheden verrichtte die verband hielden met de organisatie van een evenement op 4 september 2016, werkzaamheden die hij niet had gemeld. Appellant voerde aan dat hij wel aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan omdat hij melding had gemaakt van activiteiten in eerdere jaren (2012 en 2013), maar dit werd verworpen omdat die activiteiten niet relevant waren voor de periode in geding.
Daarnaast stelde appellant dat het recht op aanvullende bijstand schattenderwijs vastgesteld kon worden aan de hand van een urenoverzicht dat hij had overgelegd. Dit werd afgewezen vanwege het ontbreken van een verifieerbare onderbouwing zoals een boekhouding of administratie.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking van de bijstand bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden voor het eigen bedrijf wordt bevestigd.