Uitspraak
OVERWEGINGEN
Het Uwv heeft toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant werkte tot 18 juli 2016 in België en was toen woonachtig in België. Op die datum schreef hij zich in Nederland in. Hij vroeg per 25 augustus 2016 een WW-uitkering aan, maar het UWV wees dit af omdat appellant niet als grensarbeider in de zin van Verordening 883/2004 kon worden aangemerkt.
Appellant verzocht om herziening van dit besluit met het argument dat hij al op de eerste werkloosheidsdag in Nederland woonde en dat het UWV artikel 65 van Pro Verordening 883/2004 niet juist had toegepast. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank bevestigde dit standpunt en stelde dat de door appellant aangevoerde feiten geen nieuwe feiten zijn zoals bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. Ook het beroep op jurisprudentie van het Hof van Justitie bood geen grond voor herziening.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat het UWV zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.