Appellant, een zelfstandige timmerman, verzocht om toekenning van een AOW-pensioen met ingang van zijn 65ste verjaardag, terwijl de AOW-leeftijd is verhoogd naar 66 jaar. Hij stelde dat deze verhoging leidde tot ontneming van eigendom en dat zijn zware beroep en fysieke gesteldheid hem belemmerden voldoende inkomen te verwerven.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) verklaarde het eerste bezwaar niet-ontvankelijk en wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een inhoudelijk besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard, maar dat het beroep tegen het latere afwijzingsbesluit ongegrond is omdat appellant onvoldoende financiële en medische gegevens heeft overgelegd om te onderbouwen dat hij onevenredig zwaar getroffen is door de verhoging van de AOW-leeftijd.
De Raad benadrukt dat de Svb een individuele beoordeling moet maken indien de betrokkene dit onderbouwd vraagt, maar dat appellant daartoe niet de benodigde gegevens heeft verstrekt. De keuze van de wetgever om geen uitzonderingen te maken voor personen met een zwaar beroep wordt bevestigd. De eerdere uitspraak wordt vernietigd, het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond.