Uitspraak
17.662 AOW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
26 september 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft AOW-pensioen ontvangen met een korting wegens niet-verzekerde jaren. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde dat appellant vanaf 14 september 2004 niet meer als ingezetene van Nederland kon worden aangemerkt, omdat hij was uitgeschreven uit de basisregistratie personen en geen feitelijk verblijf in Nederland kon aantonen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat onvoldoende aannemelijk was dat appellant in de periode van 14 september 2004 tot en met 7 maart 2007 ingezetene was. Appellant voerde in hoger beroep aan dat uitschrijving uit de BRP niet automatisch het einde van ingezetenschap betekent.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het wettelijk begrip ingezetene wordt bepaald aan de hand van alle omstandigheden, waarbij een duurzame persoonlijke band met Nederland vereist is. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij gedurende de periode in Nederland verbleef; zijn stelling dat hij op campings verbleef was niet onderbouwd. Ook het aanhouden van een Nederlandse zorgverzekering en bankrekening was onvoldoende.
Daarmee was het standpunt van de Svb en de rechtbank terecht dat appellant niet verzekerd was ingevolge de AOW in de betreffende periode. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt in de periode van 14 september 2004 tot en met 7 maart 2007.