Uitspraak
18.3508 PW
mr. J.A. Karreman.
Centrale Raad van Beroep
Appellant diende op 4 april 2017 een aanvraag om bijstand in en gaf daarbij een postadres op van een maatschappelijke opvang die alleen dagopvang biedt. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verzocht appellant om een overzicht van zijn verblijfplaatsen vanaf 23 februari 2017, maar appellant vulde de formulieren niet volledig in. Hierdoor kon het college het recht op bijstand niet vaststellen en wees de aanvraag af.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het college de betaling van de bijstand had moeten opschorten in plaats van afwijzen, maar deze grond faalde omdat de situatie niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 40, tweede lid, van de Participatiewet.
De Raad benadrukte dat de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij de aanvrager ligt en dat ook dak- of thuislozen controleerbare gegevens over hun verblijfplaats moeten verstrekken. Omdat appellant niet aan deze inlichtingenplicht voldeed, werd het hoger beroep afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende duidelijkheid over de feitelijke verblijfplaatsen van appellant.