ECLI:NL:CRVB:2019:2979
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende gemotiveerd besluit UWV over maatstaf arbeid bij ziekengeld na werkhervatting
Appellant was werkzaam als allround onderhoudsmonteur en meldde zich in 2011 ziek. Na beëindiging van het dienstverband in 2013 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geen recht had op WIA-uitkering. Appellant werkte in november 2015 een week als huismeester/conciërge, waarna hij zich ziek meldde. Het UWV weigerde ziekengeld toe te kennen en hanteerde daarbij de functies geselecteerd in de WIA-beoordeling als maatstaf.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het UWV het medisch onderzoek zorgvuldig had verricht en de Functionele Mogelijkhedenlijst correct was toegepast. In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV onterecht de WIA-functies als maatstaf hanteerde en dat de rechtbank onvoldoende aandacht had besteed aan het ontbreken van arbeidskundige rapporten.
De Raad overweegt dat de laatst verrichte arbeid, hier het werk als huismeester/conciërge, als maatstaf dient te gelden. Het standpunt van het UWV dat de kortdurende werkhervatting als mislukte werkhervatting moet worden gezien, is niet langer houdbaar. Het besluit van het UWV is onvoldoende gemotiveerd en de Raad draagt het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen in lijn met deze overwegingen.
Uitkomst: Het besluit van het UWV is onvoldoende gemotiveerd en moet binnen zes weken worden hersteld.