ECLI:NL:CRVB:2019:295
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid voor geselecteerde functies
Appellant was afdelingschef in een supermarkt en meldde zich in 2009 ziek met psychische en gewrichtsklachten. Na een WIA-beoordeling in 2011 werd vastgesteld dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor diverse functies. In 2013 meldde appellant zich opnieuw ziek en ontving een Ziektewetuitkering. Na een medische en arbeidskundige beoordeling in 2015 stelde het UWV vast dat appellant meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen en beëindigde de ZW-uitkering.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat zijn beperkingen werden onderschat en dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige volgde. Appellant stelde in hoger beroep aanvullende medische rapporten over, maar deze werden door het UWV en de Raad niet gevolgd vanwege onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van relevante medische gegevens.
De Raad oordeelde dat appellant terecht arbeidsgeschikt is geacht voor ten minste één van de geselecteerde functies en dat de beëindiging van de ZW-uitkering rechtmatig is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Ziektewetuitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies.