ECLI:NL:CRVB:2019:2948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende feitelijke grondslag voor gezamenlijke huishouding bij intrekking bijstand
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Leidschendam-Voorburg geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 22 april 2014 tot 14 februari 2016. Dit gebeurde op basis van het standpunt dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met X, met wie zij een kind had, en dat zij vermogensbestanddelen bezat en op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde in hoger beroep uitsluitend het standpunt over de gezamenlijke huishouding. Het college kon onvoldoende aannemelijk maken dat X zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres van appellante, mede omdat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven en de gebruikte bewijsmiddelen zoals zendmastgegevens, tapgesprekken en verklaringen van buurtbewoners onvoldoende concreet waren.
Daarom oordeelde de Raad dat onvoldoende feitelijke grondslag bestond voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Dit leidde echter niet tot vernietiging van het besluit, omdat het college ook op andere gronden de intrekking van de bijstand terecht vond, namelijk het niet melden van vermogensbestanddelen en werkzaamheden. De terugvordering werd eveneens gehandhaafd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden gehandhaafd ondanks onvoldoende bewijs voor gezamenlijke huishouding.