ECLI:NL:CRVB:2019:266
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAZ-uitkering wegens inkomsten uit verhuur zonder gerechtvaardigd vertrouwen
Appellant, een zelfstandig garagehouder, ontving sinds 2002 een WAZ-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. In 2008 verhuurde hij een deel van zijn bedrijfspand, waarbij een arbeidsdeskundige concludeerde dat de huurinkomsten geen inkomsten uit arbeid waren en de WAZ-uitkering daarom niet hoefde te worden aangepast.
Het UWV herzag echter in 2011 en later de uitkering over de jaren 2009, 2012 en 2013, waarbij het de inkomsten uit verhuur als inkomsten uit arbeid aanmerkte en terugvorderingen instelde. De rechtbank verklaarde in 2012 het beroep van appellant gegrond voor 2009 vanwege het vertrouwensbeginsel, maar wees latere jaren af.
In hoger beroep stelt appellant dat het UWV niet zorgvuldig heeft gehandeld door niet te onderzoeken welke gevolgen de herziening had voor zijn investeringsbeslissingen en dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden. De Raad oordeelt dat appellant na het besluit van 2011 had moeten begrijpen dat het UWV het standpunt van de arbeidsdeskundige niet meer volgde en dat de investeringsbeslissing in 2011 niet gebaseerd kon zijn op gerechtvaardigd vertrouwen.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt voor de jaren na 2009. Ook het betoog dat het UWV had moeten informeren over de gewijzigde standpunten wordt verworpen. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAZ-uitkering en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel voor latere jaren af.