ECLI:NL:CRVB:2019:2448
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herziening WGA-uitkering en schadevergoeding
Appellant, werkzaam als productiemedewerker tuinbouw, meldde zich ziek met fysieke klachten en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering. Na een verzoek tot herbeoordeling en melding van verslechtering van zijn psychische gezondheid, stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast en beëindigde later de loongerelateerde uitkering, gevolgd door een WGA-vervolguitkering. Appellant maakte bezwaar tegen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, dat gedeeltelijk werd toegewezen met een hogere mate van arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant in staat was om geselecteerde functies te verrichten. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten waren toegenomen en dat hij volledig arbeidsongeschikt was, met aanvullende beperkingen die niet waren erkend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de gronden van appellant overtuigend had gemotiveerd en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die tot een ander oordeel konden leiden. Het verzoek om benoeming van een deskundige werd afgewezen. De Raad bevestigde dat appellant in staat was de geselecteerde functies te verrichten en wees het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de procedure binnen de termijn van vier jaar was afgerond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot herziening van de WGA-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.