Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
een bedrag van € 500,-;
Centrale Raad van Beroep
De zaak betreft het hoger beroep tegen de vaststelling en terugvordering van het persoonsgebonden budget (pgb) over 2014 door het zorgkantoor. Het pgb werd aanvankelijk toegekend op €46.521,05, maar vanwege ontbrekende verantwoording stelde het zorgkantoor het pgb lager vast en vorderde terugbetaling.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat niet alle pgb-verplichtingen waren nagekomen, met name inzake zorgverlener die het pgb beheerde. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de verzekerde verantwoordelijk is voor de verantwoording, ook als een derde het beheer voert. Bewijslast ligt bij de verzekerde om aan te tonen dat zorg daadwerkelijk is verleend en betaald.
De Raad oordeelt dat het zorgkantoor terecht een deel van de kosten heeft afgewezen wegens gebrek aan inzichtelijke administratie en bewijs van zorgverlening. Er is geen schending van het vertrouwensbeginsel. Wel is de redelijke termijn in de bestuurlijke fase overschreden, waardoor het zorgkantoor wordt veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €500 en proceskosten van €512 aan appellanten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen, het lagere pgb en de terugvordering worden bevestigd, met een schadevergoeding van €500 wegens overschrijding redelijke termijn.