ECLI:NL:CRVB:2019:242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over juiste vaststelling medische beperkingen en FML bij WIA-uitkering
Appellant, voormalig hoofdagent van politie, viel uit na een verkeersongeval en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, omdat de FML niet direct invloed zou hebben op re-integratie.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk belang had bij een correcte vaststelling van zijn medische beperkingen in de FML, omdat dit relevant is voor zijn verdere re-integratie en beperking van schade. De Raad oordeelde dat de rechtbank het procesbelang ten onrechte had ontkend en vernietigde het vonnis.
De Raad beoordeelde vervolgens inhoudelijk of de FML van 16 april 2015 juist was vastgesteld. Uit medische rapporten, waaronder die van verzekeringsarts bezwaar en beroep en arbeidsdeskundige, bleek geen aanleiding om de beperkingen aan te passen. De Raad concludeerde dat de FML correct was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit wordt ongegrond verklaard en de FML wordt als juist vastgesteld.