ECLI:NL:CRVB:2019:2363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking pgb en terugvordering wegens onjuiste verantwoording
Appellante ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden voor 2013, toegekend door het college op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college trok het besluit tot toekenning van het pgb in en vorderde het bedrag terug wegens vermeende onvolkomenheden in de verantwoording en het niet melden van een indicatie en pgb van het zorgkantoor.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het college het bedrag terecht kon terugvorderen. Appellante stelde in hoger beroep dat de vermeende onvolkomenheden niet rechtvaardigen tot intrekking en dat zij de ophoging van het pgb niet aan huishoudelijke hulp hoefde te besteden.
De Raad stelde vast dat het college zijn standpunt over onvolkomenheden niet langer handhaaft en oordeelde dat appellante het pgb, inclusief de ophoging, niet verplicht was aan huishoudelijke hulp te besteden. Hierdoor was het college niet bevoegd het besluit in te trekken en het bedrag terug te vorderen.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, herroept het intrekkingsbesluit en veroordeelde het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het pgb en terugvordering is vernietigd en het beroep van appellante is gegrond verklaard.