ECLI:NL:CRVB:2019:2337
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling door niet tijdig aanvechten ontslag
Appellant was vanaf 1 maart 2016 in dienst bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst van zes maanden met een proeftijd van een maand. Hij meldde zich direct ziek en de werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst op 9 maart 2016. Het UWV weigerde een Ziektewetuitkering toe te kennen omdat de werkgever verplicht was loon door te betalen tijdens ziekte. Appellant werd vervolgens de ten onrechte ontvangen uitkering teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze besluiten ongegrond, omdat appellant niet tijdig de nietigheid van het proeftijdbeding en het ontslag had ingeroepen. Dit werd gezien als een benadelingshandeling, waardoor het recht op Ziektewetuitkering werd geweigerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij ernstig ziek was en niet wist dat het ontslag nietig was, en dat hij daarom niet tijdig verweer kon voeren.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de onwetendheid en ziekte van appellant geen deugdelijke grond vormen om geen verweer te voeren. De medische gegevens toonden niet aan dat appellant gedurende de vervaltermijn geheel onmachtig was om zijn belangen te behartigen. Ook het onjuiste advies van de vakbond kwam voor zijn eigen risico. Daarom is het niet tijdig aanvechten van het ontslag verwijtbaar en kwalificeert dit als een benadelingshandeling.
De Raad bevestigde het besluit van het UWV om de Ziektewetuitkering te weigeren over de periode 1 maart tot en met 31 augustus 2016 en wees het verzoek om schadevergoeding af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering bevestigd wegens benadelingshandeling door niet tijdig aanvechten van het ontslag.