ECLI:NL:CRVB:2019:23

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2019
Publicatiedatum
8 januari 2019
Zaaknummer
16/7447 PW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 PWArt. 31 PWArt. 34 PWArt. 16 RBBU 2015
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bijzondere bijstand voor voorzienbare verhuiskosten

Appellant, die sinds 2014 bijstand ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor verhuiskosten vanwege psychische klachten die verblijf bij zijn moeder onmogelijk maakten. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees deze aanvraag af omdat de verhuizing niet onvoorzien was en de kosten niet uit bijzondere omstandigheden voortvloeiden.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat medische noodzaak de verhuizing rechtvaardigde en dat hij onvoldoende inkomen had om te reserveren voor verhuiskosten. De Raad oordeelde dat verhuiskosten in principe uit eigen middelen moeten worden betaald, tenzij bijzondere omstandigheden dit verhinderen.

De Raad stelde vast dat appellant al jaren als woningzoekende stond geregistreerd en de verhuizing dus voorzienbaar was. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat appellant niet had kunnen reserveren of gespreid betalen. De medische noodzaak veranderde hier niets aan. Daarom was geen recht op bijzondere bijstand voor de verhuiskosten. Het hoger beroep werd afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand omdat de verhuizing voorzienbaar was en geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn.

Uitspraak

16.7447 PW

Datum uitspraak: 8 januari 2019
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
18 oktober 2016, 15/6106 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2018. Namens appellant is mr. De Leest verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. E.H. Siemeling.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 1 augustus 2014 bijstand, ten tijde in geding op grond van de Participatiewet (PW), in aanvulling op een uitkering op grond van de Ziektewet.
1.2.
Op 29 mei 2015 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van verhuizing vanuit de woning van zijn moeder naar een zelfstandige woonruimte. Daarbij heeft appellant vermeld dat hij in verband met psychische klachten niet meer bij zijn moeder kan verblijven.
1.3.
Bij besluit van 16 juni 2015 heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Bij besluit van 15 oktober 2015 (bestreden besluit) heeft het college, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 16 juni 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de PW. Evenmin is sprake van een plotselinge onvoorziene verhuizing als bedoeld in artikel 16, onder b, van de Richtlijnen bijzondere bijstand Utrecht 2015 (RBBU 2015).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat uit de verklaring van een arts van Altrecht blijkt dat de verhuizing noodzakelijk was. Verder heeft hij in de jaren voorafgaand aan de aanvraag onvoldoende inkomen en vermogen gehad om te kunnen reserveren voor de kosten van een verhuizing.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de individuele studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de PW niet van toepassing zijn.
4.2.
Ingevolge artikel 16, aanhef en onder b, van de RBBU 2015 komen voor bijstandsverlening in aanmerking de kosten van een noodzakelijke, niet voorziene verhuizing.
4.3.
Niet in geschil is dat de verhuiskosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd zich voordoen en dat deze in de situatie van appellant noodzakelijk zijn. De kosten van een verhuizing worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden.
4.4.
In het geval van appellant vloeien de kosten niet voort uit bijzondere omstandigheden. Appellant was ten tijde van de verhuizing in juni 2015 31 jaar oud, hij was in 2009 gescheiden en woonde sinds december 2011 bij zijn moeder. Hij stond al negen jaar als woningzoekende geregistreerd. Gelet hierop lag de verhuizing al geruime tijd in de lijn der verwachtingen. De omstandigheid dat er ten tijde van de verhuizing ook een noodzaak van medische aard voor de verhuizing was, maakt dit niet anders. Verder heeft appellant met de inkomensverklaringen over 2012, 2013 en 2014 niet aannemelijk gemaakt dat hij niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren. Daaruit blijken niet de kosten voor levensonderhoud en appellant woonde in die tijd bij zijn moeder. Bovendien is niet gebleken dat de kosten van de verhuizing niet konden worden bestreden uit gespreide betaling achteraf. Appellant had daarom niet op grond van artikel 35 van Pro de PW recht op bijzondere bijstand voor de kosten van de verhuizing.
4.5.
Nu de verhuizing al geruime tijd in de lijn der verwachtingen lag, was evenmin sprake van een onvoorziene verhuizing als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder b, van de RBBU 2015, zodat appellant ook aan dit beleid geen recht op bijzondere bijstand kon ontlenen.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum als voorzitter en J.N.A. Bootsma en C.J. Borman, als leden, in tegenwoordigheid van J. Tuit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2019.
(getekend) J.L. Boxum
(getekend) J. Tuit
md