Uitspraak
17.3418 ZW
OVERWEGINGEN
Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat de functie van inpakker in ieder geval geschikt is geacht, maar dat de andere functies niet zijn uitgesloten.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig schoonmaker, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en werd door het UWV geschikt geacht voor diverse functies, waardoor hij geen recht had op een WIA-uitkering. Na beëindiging van zijn WW-uitkering en een nieuwe ziekmelding in 2016, stelde het UWV opnieuw vast dat appellant geschikt was voor arbeid en weigerde ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, waarbij hij stelde dat zijn klachten waren toegenomen en hij niet in staat was de maatgevende arbeid te verrichten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen objectieve medische stukken waren die een toename van beperkingen aantoonde. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. Uit de medische stukken bleek dat appellant dezelfde chronische pijn- en psychische klachten had als bij de eerdere WIA-beoordeling, zonder nieuwe of ernstiger beperkingen. De Raad vond de motivering van de verzekeringsartsen inzichtelijk en navolgbaar en zag geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige.
De Raad concludeerde dat het UWV appellant terecht geschikt heeft geacht voor de maatstaf arbeid en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.