ECLI:NL:CRVB:2019:2274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat gezinsbijstand ten onrechte voor de helft in mindering is gebracht bij berekening beslagvrije voet
Betrokkene ontvangt een WGA-uitkering en een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Na huwelijk met zijn echtgenote, die aanvankelijk in Iran verbleef, heeft het UWV toeslag ingetrokken en teruggevorderd, met een maandelijkse inhouding op de uitkering wegens aflossingscapaciteit.
De rechtbank oordeelde dat de helft van de aanvullende gezinsbijstand ten onrechte in mindering was gebracht bij de berekening van de beslagvrije voet van betrokkene, omdat de partner geen eigen inkomsten heeft die gelijk zijn aan of hoger dan 45% van de bijstandsnorm voor een echtpaar. Het UWV stelde in hoger beroep dat gezinsbijstand als periodiek inkomen van de partner moet worden meegeteld, maar onderbouwde dit niet.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van het UWV af. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van betrokkene en legt een griffierecht op. Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt niet behandeld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de helft van de gezinsbijstand ten onrechte is afgetrokken bij de berekening van de beslagvrije voet en wijst het hoger beroep van het UWV af.