ECLI:NL:CRVB:2019:2245
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing tegemoetkoming scholieren op grond van Wtos wegens deeltijdopleiding
Appellant was ingeschreven voor het schooljaar 2016-2017 bij een onderwijsinstelling voor een VMBO/MAVO-TL vavo-opleiding en vroeg een tegemoetkoming scholieren aan op grond van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos). De minister wees de aanvraag af omdat uit het BRON bleek dat appellant een deeltijdopleiding volgde die niet voldeed aan de norm van minimaal 850 klokuren per schooljaar.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel niet werd geschonden, aangezien de minister mocht uitgaan van de registratie van de onderwijsinstelling. Ook werd overwogen dat het aan de onderwijsinstelling is om geschillen over inschrijving en onderwijsvorm te beslechten.
In hoger beroep voerde appellant aan dat vergelijkbare opleidingen bij andere instellingen wel als voltijd werden geregistreerd en dat de minister ten onrechte geen hoorzitting hield. De Raad oordeelde dat de minister terecht uitging van de BRON-registratie en dat geen strijd met het gelijkheidsbeginsel bestond. De stelling dat andere instellingen opleidingen onjuist als voltijd registreren, rechtvaardigt geen uitzondering op de wet.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvraag voor een tegemoetkoming scholieren is terecht afgewezen omdat appellant een deeltijdopleiding volgt die niet voldoet aan de studielastvereiste.