ECLI:NL:CRVB:2019:2242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing WIA-uitkering wegens onjuiste maatmaninkomensbepaling
Appellante was sinds 2012 werkzaam als thuishulp en meldde zich in 2013 ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De arbeidsdeskundige had het maatmaninkomen vastgesteld op basis van het CAO-loon, omdat het eerdere hogere loon niet verifieerbaar werd geacht.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht aansluiting had gezocht bij het CAO-loon. Appellante ging in hoger beroep en stelde dat het UWV haar beperkingen te licht had ingeschat en dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Raad volgde de rechtbank in het medisch oordeel, maar oordeelde dat het UWV ten onrechte was uitgegaan van het CAO-loon als maatmaninkomen. De polisadministratie bevatte betrouwbare gegevens die niet waren weerlegd, en de verklaring van de werkgever voor het hogere loon was niet onaannemelijk. De Raad vernietigde het besluit en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen wegens onzekerheid over de uitkomst van de nieuwe beslissing.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het UWV opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.