Appellant ontvangt sinds 1997 een WAO-uitkering, laatstelijk berekend op 35-45% arbeidsongeschiktheid. In april 2014 trof de politie een hennepkwekerij aan bij appellant met 180 planten, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op bijna €14.000. Het UWV stelde daarop de WAO-uitkering over de periode van november 2013 tot april 2014 op nihil en vorderde €4.141,05 terug.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het UWV aannemelijk had gemaakt dat appellant inkomsten uit hennepteelt had genoten. De politierechter had het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil gesteld, maar zonder motivering en zonder duidelijkheid over de periode, waardoor dit oordeel niet leidend was in de bestuursrechtelijke procedure.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij geen oogst had gehad en dat het UWV onterecht inkomsten had aangenomen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV voldoende feiten heeft aangedragen en dat het aan appellant was om dit met objectief bewijs te weerleggen, wat niet is gelukt. De Raad bevestigt dat de fictieve arbeidsongeschiktheid onder 15% lag, waardoor geen WAO-uitkering over die periode verschuldigd was. Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering blijft in stand.