ECLI:NL:CRVB:2019:2212
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing herziening WIA-dagloon door UWV
Appellant verzocht het UWV om herziening van het WIA-dagloon dat sinds 2006 was vastgesteld. Het UWV stelde het bezwaar van appellant in eerste instantie deels gegrond, maar wees later het verzoek af wegens onvoldoende bewijs en het ontbreken van loonstroken. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen een brief van het UWV niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit.
In hoger beroep betoogde appellant dat de brief van het UWV wel als een besluit moet worden aangemerkt en dat het UWV onterecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de brief van 13 april 2016 inderdaad een appellabel besluit is, waardoor het bezwaar ontvankelijk had moeten worden verklaard.
De Raad beoordeelde vervolgens inhoudelijk het beroep en concludeerde dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat het UWV onjuiste loongegevens gebruikte bij de dagloonberekening. De aangevallen uitspraak werd vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit werd ongegrond verklaard. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit tot herziening van het WIA-dagloon wordt ongegrond verklaard.