ECLI:NL:CRVB:2019:2187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde kasstortingen en evenredige boete
Appellanten ontvingen bijstand sinds december 2013 en werden onderzocht vanwege niet gemelde kasstortingen op hun bankrekeningen. De gemeente Epe stelde vast dat zij in de periode januari 2014 tot mei 2016 aanzienlijke kasstortingen deden die als inkomsten moesten worden beschouwd. Appellanten konden niet aantonen dat zij niet vrij over deze bedragen konden beschikken. Daarnaast leverden zij niet de gevraagde bankafschriften van een derde bankrekening aan.
Het college trok de bijstand over bepaalde maanden in en vorderde een bedrag van €15.484,67 terug. Tevens werd een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenverplichting, die na bezwaar werd vastgesteld op €1.460,13. Appellanten voerden onder meer aan dat zij de stortingen niet hoefden te melden en dat psychische klachten hen belemmerden, maar deze bezwaren werden verworpen.
De Raad oordeelde dat kasstortingen op bankrekeningen van bijstandontvangers als middelen en inkomsten worden beschouwd en dat appellanten onvoldoende bewijs leverden voor hun stellingen. De boete werd als evenredig beoordeeld, mede gelet op de draagkracht van appellanten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking, terugvordering en boete worden bevestigd.