ECLI:NL:CRVB:2019:2074
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling door UWV
Appellant, voormalig snackbarmedewerker, meldde zich ziek met rug- en hoofdpijnklachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelde het UWV vast dat appellant nog 100% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde daarom de uitkering per 10 december 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen adequaat hadden beoordeeld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen niet juist waren gewaardeerd en dat hij de geselecteerde functies niet kon verrichten.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding voor een ander oordeel. De Raad benadrukte dat de CBBS-gegevens als juist mogen worden aangenomen tenzij deze voldoende gemotiveerd worden bestreden, wat hier niet het geval was. De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zijn belastbaarheid in de geselecteerde functies werd overschreden en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.