ECLI:NL:CRVB:2019:2070
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewet-uitkering wegens geschiktheid maatgevende arbeid
Appellante was werkzaam als customer service medewerker en meldde zich ziek op 19 mei 2015. Het UWV beëindigde haar Ziektewet-uitkering per 15 oktober 2015 na een positieve geschiktheidsbeoordeling. Later werkte zij twaalf uur per week als administratief medewerker en ontving aanvullend een WW-uitkering. Na een ziekmelding op 26 januari 2016 met spannings- en vermoeidheidsklachten, oordeelde een verzekeringsarts op 11 maart 2016 dat appellante geschikt was om naast haar werk de maatgevende arbeid te verrichten. Het UWV beëindigde daarop haar ZW-uitkering per die datum.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden verricht en de psychische klachten waren onderkend. De belasting door huishoudelijke taken en zorg voor kinderen werd buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar medische situatie op 11 maart 2016 gelijk was aan die van 9 mei 2016, waarop zij zich opnieuw ziek meldde, en overhandigde nieuwe medische verklaringen.
De Raad oordeelt dat het UWV de geschiktheid op inhoudelijk overtuigende wijze heeft gemotiveerd. De psychische klachten hangen samen met de thuissituatie en zorgen over kinderen, wat niet meetelt bij de beoordeling van geschiktheid. De stelling dat de medische situatie op 11 maart gelijk was aan die op 9 mei wordt verworpen. De Raad bevestigt daarmee het bestreden besluit en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering per 11 maart 2016 wordt bevestigd.