ECLI:NL:CRVB:2019:206
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herbeoordeling militair invaliditeitspensioen wegens PTSS en psychische aandoeningen
Appellant, voormalig militair, werd in 2007 een militair invaliditeitspensioen toegekend wegens PTSS met oorzakelijk dienstverband. Na herbeoordelingen in 2009 en 2011 werd het pensioen in 2012 ingetrokken omdat de PTSS in remissie zou zijn en de beperkingen veroorzaakt zouden worden door andere psychische aandoeningen zonder dienstverband.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat de beperkingen voortkomen uit niet-dienstgerelateerde aandoeningen. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelde vast dat de conclusie van PTSS in remissie onvoldoende is onderbouwd door de rapportage van Van den Bosch, die een angststoornis en persoonlijkheidsstoornis onderscheidt. Ook erkende de staatssecretaris dat eerdere aannames over persoonlijkheidsstoornissen onjuist waren. De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens ondeugdelijke motivering en droeg op tot een nieuwe beoordeling met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast wees de Raad erop dat heup- en rugklachten buiten de reikwijdte van het geding vallen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het militair invaliditeitspensioen wordt vernietigd met opdracht tot nieuwe beslissing.