ECLI:NL:CRVB:2019:205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- J.T.H. Zimmerman
- M. Schoneveld
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde buitenlandse woning
Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 2005 aanvullende bijstand en AIO-aanvulling. In 2013 meldden zij een verblijf in het buitenland en het bezit van een woning in Turkije. De Sociale verzekeringsbank (Svb) blokkeerde daarop de uitkering en verzocht om nadere gegevens over de woningwaarde. Appellant gaf aan dat de woning weinig waard was en dat zijn broer niet wilde meewerken aan onderzoek.
De Svb trok vervolgens de bijstand in vanaf augustus 2013 wegens verblijf in het buitenland langer dan toegestaan en besloot tot terugvordering van bijstand vanaf 2005 wegens niet-melding van het vermogen in de woning. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat hij door schuld aan zijn broer niet over de woning kon beschikken en dat de fiscale waarde van de woning de economische waarde benaderde. Ook stelde hij dat er dringende redenen waren om terugvordering te vermijden vanwege zijn slechte gezondheid en financiële situatie.
De Raad oordeelde dat appellant en zijn echtgenote hun inlichtingenplicht hadden geschonden door geen objectieve, verifieerbare gegevens over de waarde van de woning te verstrekken. De fiscale waarde in 2014 is onvoldoende om de economische waarde vanaf 2005 vast te stellen. De schuldverklaring geeft geen uitsluitsel over beschikkingsmacht. Dringende redenen tot afzien van terugvordering zijn niet aannemelijk gemaakt. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot intrekking en terugvordering wordt bevestigd.